Basis
Engels: dieren
Engelse woorden · Basis.
Engels: getallen 1-20
Engelse woorden · Basis.
Engels: kleuren
Engelse woorden · Basis.
Grammatica A2
Engels: bijwoorden van frequentie
Hoe vaak doe je iets? Adverbs of frequency (A2).
Engels: voorzetsels (prepositions)
Voorzetsels van plaats en richting (A2).
Idioms
Phrasal verbs
Thema
Engels: dagen en maanden
Engelse woorden · Thema.
Engels: familie
Engelse woorden · Thema.
Engels: lichaamsdelen
Engelse woorden · Thema.
Engels: voedsel
Engelse woorden · Thema.
Thema A1
Engels: getallen 21 tot 100
Tientallen en samengestelde getallen tot honderd (A1). Aanvulling op getallen 1-20.
Engels: het weer
Weersvoorspelling en temperaturen in het Engels (A1).
Engels: huis en kamers
Kamers en delen van het huis in het Engels (A1).
Engels: in de stad
Plekken en gebouwen in de stad (A1).
Engels: kleding
Engelse woorden voor kleding en accessoires (A1). Vraag in het Engels, antwoord in het Nederlands.
Engels: rangtelwoorden
Ordinal numbers: eerste, tweede, derde enzovoort (A1).
Engels: school
Woorden over school, klas en leren (A1).
Engels: tijd en momenten
Tijdsaanduidingen, dagdelen en perioden (A1). Aanvulling op het deck dagen en maanden.
Engels: vervoermiddelen
Auto, trein, vliegtuig en meer (A1). British English spelling (lorry, underground).
Thema A2
Engels: beroepen
Veelvoorkomende beroepen in het Engels (A2).
Engels: familie (uitgebreid)
Extra familieleden naast de basis: schoonfamilie, kleinkinderen en meer (A2).
Engels: gevoelens en emoties
Hoe voel je je? Bijvoeglijke naamwoorden voor emoties (A2).
Engels: lichaam en gezicht
Uitgebreide lichaamsdelen en gezichtsdetails (A2). Vraag in het Engels, antwoord in het Nederlands.
Engels: tegenstellingen (opposites)
Adjectieven met hun tegenovergestelde (A2). Vraag = Engels woord, antwoord = Nederlandse tegenstelling.